Mijn thrillers

Driest 

(2017)

Drie personen vertellen het verhaal van Driest: een minderjarig meisje dat berecht is als volwassene, Imke en Mercedes. De veroordeelde zit haar straf uit in een vrouwengevangenis, waar ze wordt getreiterd en bedreigd door haar medegedetineerden. Het ene moment schrijft ze lieflijke gedichtjes, het andere moment schuwt ze extreem geweld niet om haar belagers op afstand te houden.

Imke is een introvert meisje dat opgroeit in een chic milieu. Haar moeder geeft haar alle liefde, maar in haar vaders ogen kan ze niets goed doen. En dan is er nog de extraverte Mercedes, die in alles Imkes tegenpool is.

Wat hebben deze drie met elkaar te maken? En wie is toch die 'hij' aan wie steeds gerefereerd wordt?

 

Proloog 

In tegenstelling tot haar herinner ik me alles. Elk detail staat in mijn geheugen gegrift. Ik weet nog precies of op een bepaalde dag de zon scheen en of ’s avonds de maan helder aan de hemel stond. Als ik mijn ogen sluit, zie ik voor me welke kleding we droegen. Ik herinner me zelfs de geur die in de verschillende panden hing; boenwas, spruitjes en een enkele keer de lucht van een huisdier, een cavia die, in de hoop iets lekkers te krijgen, een soort gefluit voortbracht.

In gedachten ben ik terug in dat oude huis met het bloemetjesbehang dat losliet in de hoeken, het donkerbruine balkenplafond en de armetierige plant die op de vensterbank stond. Voor zover ik in het licht van mijn schijnwerper kon zien, was het ooit een cactus geweest. In dat huis rook het muf. Alsof er nooit gelucht werd.

Het vroor die decembernacht dat het kraakte en het was ijskoud in het monumentale pand. De adem kwam als witte spiralen uit onze neus. We droegen een dikke jas met een trui eronder, maar de kou drong door tot in onze botten. Onze vingers, slechts beschermd door plastic handschoenen, raakten al snel gevoelloos. Voor we, vlug maar voorzichtig, laden en kasten open konden trekken, moesten we ze warm wrijven.

Het duurde lang voor we beet hadden en we begonnen al te vrezen dat onze zoektocht tevergeefs zou zijn toen we achter wat slordig opgestapelde boeken een aantal bankbiljetten vonden. Ze was duidelijk opgelucht dat de missie geslaagd was. Hij zou tevreden zijn en wij konden naar huis, waar de cv wél warmte afgaf, ook al was het laat.

Helaas kwam op dat moment de bewoner van het pand naar beneden, slechts gekleed in een haastig aangetrokken joggingbroek. Vanaf de plaats waar ik stond, kon ik het kippenvel op zijn licht behaarde armen zien.

Bliksemsnel werd het pistool getrokken en op zijn hoofd gericht. Hij stak meteen zijn handen in de lucht, maar zijn twaalfjarige dochter die achter hem liep, deed een wanhopige poging de enige ouder die ze had te beschermen. Met een woest gebrul dat van achter uit haar keel kwam, wilde ze zich op degene storten die dreigde hem iets aan te doen.

Ik was nog juist op tijd toen ik mijn voet naar voren stak. Ze struikelde. Haar vader schreeuwde haar naam en deed een stap naar haar toe om haar te hulp te snellen, maar toen hij de korte beweging zag van de hand die het dodelijke wapen vasthield, stokte hij. Terwijl het kind huilend van onmacht overeind krabbelde, zei haar vader met klem dat ze zich rustig moest houden. Maar het was te laat. Het meisje had ons kwaad gemaakt. De loop was nu op haar gericht.

De luide knal verscheurde de stille nacht. Het was of de beelden vertraagden toen de blote benen van het kind voor de tweede keer onder haar vandaan sloegen en haar lichaam met een doffe klap op het parket terechtkwam. Met gespreide armen lag ze daar, haar ene been in een vreemde hoek gedraaid. Haar ogen staarden in het luchtledige. Op de plek waar de kogel haar vlees was binnengedrongen, had ze een gaatje in haar roze nachthemd.

De vader bracht een geluid voort dat niet van deze wereld leek te zijn. Hij zakte door zijn knieën en trok het slappe lichaam tegen zijn borst. ‘Louise,’ stamelde hij. ‘Louise.’ Hij bleef het maar herhalen.

Het besef drong door dat het, om meerdere redenen, het beste was hem ook om te leggen. Nog geen seconde later klonk het schot.

Knekelhuis

(2015)

Lynns nieuwe woning staat vanwege een dubbele moord die er in het verleden gepleegd is bekend als spookhuis. Hoewel ze niet in geesten gelooft, heeft Lynn vanaf het moment dat ze de woning betrekt toch het gevoel dat ze er niet alleen is, Langzaam maar zeker begint ze dan ook te twijfelen aan haar opvatting.

Waart het jonge, vermoorde echtpaar nog in Lynns huis rond? Of hebben de macabere gebeurtenissen te maken met haar buurman Mark, die heel charismatisch is en op wie Lyn op slag verliefd wordt, maar van wie de bewoners van het nabijgelegen dorp denken dat hij de moorden op zijn geweten heeft?

 

Proloog

Een mens hoopt zolang hij leeft; eerst de doden hopen niet meer.

(Theocritus)

 

Met een verbaasde blik draaide ze zich om. Een paar seconden kon ze alleen maar sprakeloos toekijken. Het tafereel dat zich voor haar ogen ontvouwde, was té onwerkelijk om ten volle tot haar verwarde brein door te dringen. Toen ze tenslotte besefte wat er gebeurde, liet ze zich op haar knieën vallen en begon te gillen.

                Het onmenselijke geschreeuw teisterde mijn oren. Ik kon er niet tegen, werd er gek van. Om een eind te maken aan het geluid liep ik naar de vrouw toe, ging met een snelle, katachtige beweging achter haar staan, bukte en sneed met een ferme haal haar hals door. Het gekrijs verstomde abrupt. Er kwam nu alleen nog maar een verstikt gerochel uit haar keel en ik besefte dat die vol bloed liep dat ze inademde. Een fractie van een seconde bleef ze zo zitten, toen zakte ze opzij en viel op de grond. Daarbij kroop haar jurk wat omhoog waardoor me een groot deel van haar prachtig gevormde benen getoond werd. De wetenschap dat ik me daar nooit meer tussen zou vlijen, bracht me even van mijn stuk. Vóór ik echter totaal de kluts kon kwijtraken, riep ik mezelf tot de orde.

                Ik richtte mijn blik op de bovenste helft van haar lichaam en op wat ik had aangericht. Bloed droop als rode verf van het mes, over de handschoen die de vingers van mijn rechterhand bedekte, maar ik sloeg er geen acht op. Gefascineerd keek ik toe hoe het warme vocht met misselijkmakende golven uit haar hals gestuwd werd. Het stroomde naar beneden, golfde over het bovenstuk van haar jurk en druppelde via haar nek op de smetteloos witte tegels, waar het een plas vormde die zich gestaag uitbreidde. Haar lange, blonde haren, waar ik tijdens het liefdesspel zo graag mijn vingers in begroef, kleurden rood.               

                De lichtroze lippen, die me ontelbare malen hartstochtelijk hadden gekust, begonnen te trillen. De ledematen volgden. Haar hele lichaam beefde ongecontroleerd toen alle warmte haar verliet. Ik wist wat het betekende en ergens speet het me, want ik gaf om de jonge vrouw.

                Haar bebloede handen, die eerst in een reflex naar haar hals hadden gegrepen, dwaalden nu, in een stille smeekbede, schokkerig in mijn richting. Slap vielen ze naast haar machteloze lijf toen het laatste restje kracht eruit verdreven werd. Ik zag de prachtige blauwe ogen glazig worden. Ze was nagenoeg dood.

                Op het moment dat ze de laatste adem uitblies, stootte haar echtgenoot, die aan de andere kant van de ruimte stuiptrekkend op de koude vloer lag, een schreeuw uit. Met een ruk van mijn hoofd keek ik op, bedacht op gevaar. Maar ik hoefde me geen zorgen te maken, de kerel kon me niets doen. De kreet was slechts een jammerklacht geweest om het heengaan van zijn geliefde.

                Mijn blik gleed over de witte keukenkastjes waarop het bloed van mijn rivaal  een rood spoor van druppeltjes had achtergelaten toen ik het mes in zijn lichaam dreef. Terwijl het donkere haar in slierten om mijn bezwete gezicht zwierde, had ik nóg een keer gestoken en nóg eens. Bloed was op mijn gezicht gespat en had mijn kleding besmeurd, maar ik maalde er niet om. Bij thuiskomst zou ik me wel uitgebreid douchen en de kleren in de wasmachine stoppen. Nú was alleen belangrijk dat de man, die ik verrast en overmeesterd had door hem van achteren aan te vallen, niet meer zou opstaan. Nooit meer.

                Net zo min als de vrouw had haar partner nog lang te leven en de schaarse momenten dat hij nog in leven was, leed hij ondraaglijke pijnen. Maar ik voelde geen greintje medelijden toen ik op mijn slachtoffer neerkeek.

                 De kerel had zichzelf bevuild, zag ik. De spijkerbroek die hij droeg, vertoonde een natte plek. En rook ik dat nu goed? Lag hij in zijn eigen stront? Van angst alles laten lopen, wat een teken van zwakte! Mijn blik ging naar het jonge gezicht dat vertrokken was van verdriet en pijn. Tranen stroomden rijkelijk over de wangen. Ik zag het met minachting aan. Janken als een zuigeling omdat je vrouw was gaan hemelen. Dat was toch ronduit gênant! Ik had ook van haar gehouden, maar zag je míj snotteren?

                Ik besloot de ander nog wat meer te kwellen. 'Ze is dood,' zei ik, met een kille klank in mijn stem. 'Ze zal nooit meer van jou zijn.' Wat was het heerlijk hem dat voor de voeten te kunnen gooien! Ik triomfeerde.

                Mijn rivaal bracht wat onverstaanbare klanken uit. Zuchtend van ongeduld boog ik me over hem heen. 'Wat zeg je?' vroeg ik, met mijn mond vlakbij het oor van de stervende. De man herhaalde het: 'Maak er een eind aan.' Hoewel het hortend en stotend uitgebracht werd, verstond ik het nu duidelijk.

                Ik rechtte mijn rug. Ik haalde mijn schouders op. 'Zoals je wilt,' zei ik en hief het mes.  

 

Hysteria

(2014)

In en rondom het gezin van Trees en Huib Verbeek vinden talrijke, soms onverklaarbare, verschrikkingen plaats. Op het moment dat Huib een eind wil maken aan zijn huwelijk, omdat zijn echtgenote er een intieme relatie op na houdt met zijn beste vriend Ben, overlijdt zijn jongste dochter. De doodsoorzaak luidt 'wiegendood', maar is dat wel de juiste diagnose?

Als na Huib ook Ben Trees verlaat, blijft ze achter met vier dochters die van elkaar verschillen als de dag van de nacht. Wanneer Trees weer een nieuwe liefde ontmoet, Edwin, krijgen ze een dochter, Anna. Is het toeval dat ook zij overlijdt? Jaren later, als de zusjes volwassen zijn en de liefdes van hun leven hebben ontmoet, zijn de moeilijkheden nog niet voorbij. Integendeel!

De spannende, blij vlagen soms huiveringwekkende thriller Hysteria wordt afwisselend verteld door een van de zussen, die ieder een eigen kijk op het verhaal hebben. Maar er is ook een anoniem persoon et een afwijkende visie, die iets kwijt wil over de gruwelijkheden die plaatsvinden.

 

Proloog

Zijn woedende stem snerpte dwars door mijn schedel. Het bezorgde me een stekende pijn achter mijn ogen die ik dichtkneep. Teneinde het geluid samen met zijn woorden buiten te sluiten, drukte ik mijn handen tegen mijn oren. Ik wilde hem niet horen zeggen dat hij weg zou gaan. Ik kon hem niet missen.

Het kwam door haar dat ik eenzaam zou achterblijven. Als zij zich anders had gedragen, zou hij nu niet op het punt staan voorgoed te verdwijnen. Ik was zo kwaad op haar!          

Een gevoel van uitputting overviel me. Moeizaam tilde ik mijn hand op om de zweetdruppels die op mijn voorhoofd parelden weg te vegen. Mijn vingers trilden.

Het geschreeuw beneden ging door en ik wist dat ik snel iets moest doen om hem tegen te houden, ervoor te zorgen dat hij hier bleef. Diep van binnen wist ik ook wát. De stem in mijn hoofd herhaalde het keer op keer, luid en duidelijk. Hij klonk zo helder dat het geruzie van beneden erdoor overstemd werd. Toch aarzelde ik.

Een bonkende hoofdpijn kwam opzetten terwijl ik trachtte me op een oplossing voor mijn probleem te concentreren. Een andere oplossing. Maar ik kon zo gauw geen manier bedenken om dit de wereld uit te helpen.

Radeloos keek ik om me heen, naar de muren die voor mijn ogen van kleur veranderden, van lichtroze naar paars, van paars naar blauw, naar de commode die niet langer wit was maar een onbestemde kleur grijs had.

Vaag zag ik de lamp aan het plafond, waar Sneeuwwitje en de zeven dwergen op afgebeeld stonden en waarvan de kleuren ineen leken te vloeien. Ik wist dat op de twee prenten, die boven de kast hingen en die ik in een waas waarnam, puppies en kittens getekend waren, maar ik kon niet onderscheiden op welk schilderijtje zich de hondjes en op welk zich de katjes bevonden. Mijn blik ging naar het bedje waarvan de contouren veranderden. De spijlen leken niet langer recht te zijn. Ze vormden halve cirkels.        

Het jongste meisje bewoog, vertrok het rimpelige snoetje en maakte een zacht, pruttelend geluid. Al gauw zou ze wakker worden.

'Je moet snel handelen', zei de stem indringend. 'Als de baby gaat huilen, zal daar iemand op afkomen en dan is je kans verkeken. Ze zal opgeofferd moeten worden, dat is de enige manier om hem bij je te houden. En het is niet jouw schuld, die sloerie is er verantwoordelijk voor.'

Nog gehoorzaamde ik niet. Pas toen de stem krijste: 'Doe het! Nu!', pakte ik het kussen dat op de commode lag en drukte het op het kleine gezichtje.

Achtervolgingsdrift

(2013)

Als de onhandelbare en verwende zestienjarige Jeanne in 1959 door haar vermogende vader naar een kostschool wordt gestuurd, begint een reeks van onherstelbare gebeurtenissen die verstrekkende gevolgen heeft voor Jeanne's familie in het hier en nu.

De woedende Jeanne wil nooit meer naar huis. Om toch ergens te wonen, verleidt de kille, op seks en macht beluste puber de zachtaardige leraar Marius Chatrou om met haar te trouwen. Hun dochter José valt in haar puberteit als een blok voor een vier jaar oudere politieagent. Al snel na hun huwelijk blijkt hij echter niet de charmante man te zijn waar zij hem voor hield. Uit angst voor hun dochtertje Ilona blijft ze bij hem. Wanneer er toch een scheiding volgt, is de opluchting van korte duur als José totaal onverwachts wordt gestalkt.

Nadat José een relatie krijgt met een vroegere jeugdvriend, neemt het stalken nog grimmiger vormen aan. Intussen ontdekt Marius dat Jeanne geheimen voor hem heeft. Als hij ze ontrafelt, blijkt de waarheid erger dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. José komt er tenslotte op brute wijze achter wie haar stalkt. En ook zij had de verschrikkelijke waarheid uit het verleden die hiermee aan het licht komt nooit kunnen vermoeden.

'Achtervolgingsdrift' is een spannende 'whydunnit' die onverbloemd laat zien hoe lust, macht, teleurstelling en liefde als katalysator werken op het gedrag van de hoofdpersonen.

 

Fragment

(2002)

Mijn naam en adres waren gevormd van opgeplakte zwarte letters die donker afstaken tegen het wit van de enveloppe. Ik durfde het in vieren gevouwen blad papier dat ik er met ijskoude vingers uit trok haast niet open te maken. Van angst stokte mijn adem in mijn keel, mijn borst krampte samen, en bevend over mijn hele lichaam liep ik naar het medicijnkastje om mijn inhaler te pakken. Diep ademde ik de spray in, en langzaam kreeg ik mijn ademhaling onder controle. Toen vermande ik mezelf en vouwde de brief open.

       De letters waren heel klein. Ik bracht het vel papier dicht bij mijn gezicht om te kunnen lezen wat er getypt stond. Het was maar één zin. ‘Voel je mijn warme adem al in je nek?’

       Een rilling van onbehagen liep van boven tot onder over mijn rug, en alsof ik me er aan brandde legde ik het papier op tafel.

       “Mam”, zei mijn zeventienjarige dochter toen ik haar later die dag de brief liet zien, “waarom laat je jezelf zo overstuur maken? Smijt die rommel meteen in de prullenbak zodra het hier op de mat valt. Die kerel probeert je alleen maar bang te maken. Als hij je echt iets aan wilde doen, dan had hij hier allang op de stoep gestaan. Hij weet immers waar je woont.”

       Dat waren nu niet bepaald woorden die mijn vrees weg namen. Met trillende vingers tastte ik naar de inhaler die ik in mijn broekzak had gestopt. 

       Ilona, op de bank gezeten, tikte nadenkend met haar wijsvinger tegen de zijkant van haar neus.

“Ik ben er van overtuigd dat het papa is, die was altijd al zeer bedreven in jou angst aanjagen. Zal ik eens naar hem toegaan? Ja, ik ga naar hem toe. Zeggen dat het afgelopen moet zijn”.

        Vastberaden sprong ze op en griste in de gang haar korte spijkerjasje van de kapstok. Ik snelde achter haar aan.         

       “Wacht!” Bij haar arm hield ik haar tegen. “Je kunt je vader niet zomaar beschuldigen! Je weet niet zeker of hij het is. En als hij het is, zal hij het toch ontkennen. Je schiet er niets mee op. Je maakt de dingen hooguit erger.”

       Maar ook al wist ik Ilona ervan te weerhouden naar Stef toe te stappen, de situatie werd nijpender.

 

 (1956)

Jeanne had een hekel aan kleine kinderen. Ze verafschuwde ze, walgde van hun poepluiers, het feit dat ze moesten leren op het potje te plassen, hun gehuil en gezever als ze tandjes kregen, de zurige stank van de melk die ze steevast over je heen braakten als ze net hun flesje leeg gedronken hadden.                

       Ze konden zelf niets! Niet lopen, praten, zelfstandig eten, zich aankleden, tanden poetsen, haar kammen, enzovoort, enzovoort. Zelfs om een boertje te kunnen laten moesten ze nog op de rug geklopt worden.

       De tijd die je in zo’n kind moest steken was eindeloos. Jeanne had er het geduld niet voor. Ze wilde geen kinderen. Nooit.

       Zelfs toen ze nog op de lagere school zat had ze al niet veel op met andere kinderen. Ze vond de meesten ‘stom’, en voelde zich mijlenver boven hen verheven. Zij was slimmer, mooier, beter dan de rest, daar was ze vast van overtuigd. Daar kwam nog bij dat papa en mama veel meer geld hadden dan de vaders en moeders van de kinderen die ze kende, dus ging zij ook beter gekleed dan de anderen en waren in tegenstelling tot hun wilde haardossen haar haren altijd netjes geknipt en zelfs gekapt.

       Ze merkte het verschil in stand ook in de pauze. In stilte vergeleek ze de inhoud van haar lunchpakket met die van haar klasgenoten. Zij had altijd luxe broodjes bij zich, croissants en petit pains. Haar leeftijdgenoten aten gewoon sneeën brood. Grof volkoren. Het paste precies bij die boerenkinkels. Ze waren totaal niet verfijnd, niet in hun spraak en niet in hun gewoonten.

       Jeanne kreeg elke dag duur fruit mee naar school. Als ze het uit haar tas nam staarden haar medeleerlingen naar het lekkers in haar hand. Het water liep ze in de mond bij het zien van de zoete kersen of de dieppaarse pruimen. Zij kregen hooguit een appel of sinaasappel mee. Als ze een keer een banaan hadden was dat een hele traktatie.

       Een keer had een meisje naar de vrucht gewezen waar Jeanne juist haar tanden in zette. “Wat is dat?”

       Jeanne keek naar het klasgenootje dat naast haar in de houten schoolbank zat. Haar hersens registreerden de goedkope katoenen stippeltjesjurk van het meisje, haar gebreide kousen, de afgetrapte gympen.

       “Een perzik”, antwoordde ze, het sap dat langs haar kin droop met een kanten zakdoekje weg vegend. “Dat krijg jij zeker nooit, hè?” En op het hoofdschudden van het meisje:”Dat dacht ik al. Wij hebben thuis een boomgaard, die hebben jullie niet. En als we geen fruitbomen hadden zouden papa en mama wel perziken voor me kopen. Maar jouw ouders kunnen dat niet betalen. Perziken zijn namelijk nogal duur. En je kunt wel zien dat jullie thuis niet veel geld hebben.” Met smaak zette Jeanne haar tanden nog eens in de rijpe vrucht.

       Het eenvoudige kind met de vlechtjes sperde haar ogen open. “Hoezo?”

       “Nou…” Het welgestelde meisje liet haar blik van boven tot onder over het in haar ogen armoedige figuurtje glijden. “Zoals je er uit ziet.” Haar ogen vlogen door de klas. “Zoals jullie er allemaal uitzien.” 

       Jeanne, die van haar vader naar een openbare school moest omdat hij wilde dat ze leerde met het gewone volk om te gaan, had er geen slag van zichzelf geliefd te maken bij leeftijdgenootjes. Maar dat deerde haar niet. Zij mocht hen toch niet, wilde niet eens bevriend met hen zijn.

       Eén keer had ze een jongetje mee naar huis  genomen omdat ze wilde pronken met het landgoed waarop ze woonde. Jeroen, zo heette hij, was het populairste kind van de klas, en Jeanne hoopte dat  hij op school hoog zou opgeven over het luxe leventje dat zij leidde.

       In eerste instantie was hij inderdaad diep onder de indruk geweest van het ‘kasteel’ waar Jeanne haar dagen doorbracht, met heuse dienstmeisjes en een tuinman. Niet jaloers, slechts geïmponeerd.

       Maar toen was zijn klasgenootje op gaan scheppen. Ze had hem het hele landhuis laten zien, hem elke slaapkamer, iedere badkamer met elke vervloekte vergulde kraan getoond, elk toilet. “Mooi, hè?”, zei ze steeds nuffig.

       Recalcitrant haalde hij zijn schouders op, antwoordend dat het toch niet uitmaakte hoe een w.c. er uit zag, dat die toch alleen maar diende ‘om op te schijten’.

       Jeanne perste haar lippen samen tot ze een smalle streep vormden en zweeg beledigd.                                                                              Met haar neus in de lucht greep ze Jeroen niet bepaald zachtzinnig bij de arm en sleepte hem mee naar het bos, en vervolgens naar het park met het prieel en de vijver, waar hij haar in een bootje tussen de zwanen rond mocht roeien terwijl zij maar bleef herhalen dat dit alles ‘van ons’ was. Ze maakte er een weids gebaar met haar armen bij dat het hele landgoed omvatte. Terwijl ze haar ogen over de bezitting liet dwalen voegde ze er nog aan toe:”En later, als papa en mama er niet meer zijn, is alles van mij”.

       Hoewel Jeroen doordrongen was van het feit dat zijn klasgenootje een rare was, verbaasde hij zich er toch over dat ze het zei alsof ze er naar uitkeek.

       Hij kreeg echter geen kans er een opmerking over te maken want Jeanne sleurde hem mee de boomgaard in. Vastbesloten een goede indruk te maken liet ze hem gul van alle bomen zoveel fruit plukken en opeten als hij wilde. Jeroen begon zich warempel te vermaken. Het enige wat hem stoorde was dat zij bij elke hap die hij nam informeerde:”Dat hebben jullie thuis zeker niet, hè?” Het begon hem op den duur echt te irriteren.

       Harrie, de tuinman die tussen de bomen rondslofte en grote manden met rijpe vruchten vulde, keek argwanend van de knul die hij niet kende naar de toekomstige meesteres van het landgoed, en informeerde ‘of de jongejuffrouw toestemming van haar ouders had om met haar visite de boomgaard te bezoeken’.

       “Natuurlijk”, beweerde Jeanne, hoewel haar klasgenoot haar niets had horen vragen. En met een hooghartig gebaartje van haar hand vervolgde ze op vertrouwelijke toon tegen de tuinman:”Laat Jeroen maar, Harrie. Ik heb gezegd dat hij mag eten zoveel hij wil, want hij krijgt nooit een fatsoenlijk stuk fruit. Zijn ouders zijn arme donders, zie je.”

       Bij die denigrerende woorden kreeg de jongen een rood hoofd, en de tuinman fluisterde bestraffend in het oor van de kleine snob ‘dat het niet gepast was wat jongejuffrouw Jeanne zei’.    Verongelijkt haalde ze haar smalle schoudertjes op. “Het ís toch zo. Ze zijn zo arm als een luis!”

       Jeroen voelde een hevige verontwaardiging in zich opkomen. Ze hadden bij hem thuis dan wel geen cent te makken, maar dat wilde nog niet zeggen dat hij geen besef van normen en waarden had! Hij had meer fatsoen dan die rijke meid! Kwaad flapte hij het er uit.

       Als een wilde kat vloog de jonge erfgename op hem af, hem krabbend en bijtend. Ze spuwde in zijn gezicht en trok aan zijn haar. Hij liet zich niet onbetuigd en gaf haar een ferme rechtse. Kwiek sprong Harrie er tussen en haalde hen uit elkaar.

       Jeanne probeerde Jeroen nog een trap na te geven, miste op een haar na zijn schenen. “Armoedzaaier!”, schold ze.

       “Rijke rottrut!”, gaf hij terug.

De vriendschap, nog maar net ontloken, was over.