Mijn korte verhalen

Stemmen.

De stemmen in mijn hoofd bevelen me slechte dingen te doen. Stelen, liegen, doden. Ik moet ze gehoorzamen, anders loopt het slecht met me af, beweren de stemmen.

       Nu eisen ze van me dat ik mijn dochter vermoord. Ze is pas zes maanden oud, dus het moet een koud kunstje zijn, zeggen ze. Mijn handen om haar keel leggen en knijpen, knijpen… Net zo lang tot alle lucht uit haar longen verdwenen is. 

       Zo is het ook gegaan met het konijn dat Paul en ik al zeven jaar hadden. Nog voel ik zijn witte haren aan mijn vingers plakken.      

       Ik wil zulke verschrikkelijke dingen niet doen, verzet me steeds zo lang mogelijk tegen de kwaadaardige stemmen, maar uiteindelijk winnen ze altijd. Het is een ongelijke strijd.

       Ook nu zullen ze krijgen wat ze wensen, dat weet ik. Dus voordat ze mijn wil ondermijnen moet ik Malou in veiligheid brengen. Ik mag niet alleen met haar blijven, slechts op die manier kan ik haar niets aandoen.

       Paul is op zijn werk. Hij kan zijn dochter op dit moment niet beschermen tegen haar moeder.

Het meest voor de hand liggende is dat ik Malou naar mijn ouders breng voor een logeerpartijtje. Dat vinden ze heerlijk. Mijn baby zal door mijn moeder goed verzorgd worden, en papa zal er wel voor waken dat haar niets overkomt.

       Ik bel mijn ouders op, en nog hetzelfde uur breng ik mijn dochter weg. Ze wordt door haar opa en oma met open armen ontvangen.

       “Fijn dat jullie een tijdje op haar willen passen”, zeg ik, als ze samen hun kleindochter uit het autostoeltje halen. “Ik moet onverwacht een paar dagen weg voor mijn werk.”

       “Ach kind”, zegt mijn moeder, “dat spreekt toch vanzelf. We vinden het heerlijk om Malou bij ons te hebben.”

       En mijn vader,die het verschrikkelijk vond toen ik op jonge leeftijd uit huis ging om met mijn grote liefde te trouwen, knipoogt terwijl hij grapt: “Dan is het net of we jou weer een beetje terug hebben.”

       Ik glimlach naar hem, werp een blik op mijn horloge, en beweer dat ik helaas niet kan blijven voor een kopje koffie.

       “Ik moet meteen weg, anders haal ik het vliegtuig niet.”

       Ik streel Malou’s zachte wangetje.

       “Doodt haar!”, roept een stem in mijn hoofd. Andere stemmen vallen bij: “Vermoordt haar! Nu!” Ze zwellen aan tot een afschuwelijk crescendo. Ik wordt gek van dat gekrijs.

       Ik laat mijn vingers over het zachte, tere vlees van Malou’s hals dwalen.

       “Toe dan”, moedigen de stemmen aan, “het kan in een paar seconden voorbij zijn”.

       “Nee”, antwoord ik in gedachten, “niet hier, niet op dit moment. Mijn vader zal het niet laten gebeuren.”

       Ik trek mijn hand terug. “Dag, Malou. Dag, dochter van me.”

       Mijn moeder, zich niet bewust van de strijd die in mij woedt, zegt: “Ga nu maar gauw, kind. We zullen goed voor Malou zorgen”.

       “Dat weet ik”, zeg ik. “Daarom heb ik haar ook hier gebracht.”

       Mijn ouders begrijpen de diepere betekenis achter die woorden niet.

                                                                                      

Terwijl ik naar huis rijd blijven de stemmen me lastig vallen. Ze schelden me uit voor lafbek en slappeling en bevelen me om te keren en ‘het karwei’ af te maken.

       Ik klem mijn handen om het stuur, en stamp op het gaspedaal. De auto vliegt met een schok naar voren.

       Vastberaden schud ik mijn hoofd. “Nee”, zeg ik hardop, “jullie kunnen me niet dwingen mijn eigen kind van het leven te beroven.”

       Ze schreeuwen nu tegen me, gillen bijna. Het snerpt door mijn vermoeide brein. Het moet ophouden.

       “Schei uit!”, roep ik in de stille eenzaamheid van de auto. “Rot op!”

       “Je weet wat je moet doen om ons te laten stoppen”, is het smalende antwoord. “ Vermoordt Malou en we gaan weg. Doodt haar en je zult nooit meer last van ons hebben. Zo niet…” Ze beginnen weer met hun gekrijs.

       Hard trap ik op de rem. De auto komt slippend tot stilstand. Ik keer om.

       “Goed zo”, prijzen de stemmen, “doe wat we van je vragen, en je hebt je oude leventje terug.”

       Maar dat is niet waar. Als ik Malou dood, zal ik zelf nooit meer iets van een leven hebben.

       Mijn kind. Eerst heb ik haar het leven geschonken, en nu sta ik op het punt haar daar weer van te beroven. Dat is misdadig.   

       Nee, ik doe het niet.

       Maar hoe kom ik dan ooit van die stemmen af?

       Dan, ineens, heb ik de oplossing. Als ik er niet meer ben kunnen de stemmen me niet langer als pion gebruiken. Ik moet voorgoed weg gaan, zo ver mogelijk weg van Malou. Paul, bijgestaan door mijn vader en moeder, kan voor haar zorgen. Met hun drieën zullen ze mijn dochter groot brengen. Malou zal veilig zijn.

       Mijn ouders en mijn echtgenoot zullen een tijdlang om me rouwen, maar mijn kind zal leven en gelukkig zijn. Ik doe het voor haar.

       Dat is mijn laatste gedachte voor ik gas geef, en op de eerste de beste boom afrijd. 

 

Gepubliceerd op internet (in een schrijfgroep)

-----

Wraak.

De school staat in lichterlaaie. Hoog schieten de vlammen op uit het dak. De verzengende hitte is tot hier te voelen. Ramen springen in hun sponningen. Het glas vliegt de toeschouwers om de oren, en sommigen deinzen verschrikt achteruit.

       Brandweerlieden doen hun best het vuur onder controle te krijgen, maar het lukt ze niet. Het zwartgeblakerde gebouw zal tot de grond toe afbranden, de onrechtvaardigheid die tussen de muren gevangen zit zal tot as vergaan. Ik glimlach tevreden.

       Wat heb ik geleden op deze school. Ik was een belhamel, en in de jaren dertig was het heel normaal dat je voor kattenkwaad streng gestraft werd.

       Meester Jansen was een expert in lijfelijke straffen. Menigmaal heb ik een fikse draai om mijn oren moeten incasseren. Een keer sloeg hij zelfs zo hard dat er een tand uit mijn mond brak.

       Hij sloeg echter niet altijd met zijn hand. Soms gebruikte hij een zweepje. Doodsbang waren wij voor dat ding.

       Omdat het thuis geen vetpot was, we waren met negen kinderen, was mijn maag nooit voldoende gevuld. Daarom was het heel verlokkelijk dat bij onze leraar in de voortuin een pracht van een perenboom prijkte. Meestal als de gedachte aan het bietsen van een peer in me opkwam dacht ik vlug aan het zweepje, maar eens, toen ik werkelijk rammelde van de honger, kon ik de verleiding niet weerstaan. Samen met mijn vriend Cor klom ik op het muurtje dat de grond van de familie Jansen begrensde, en snel plukten we ieder een sappige vrucht. Marietje, de verwende dochter van de meester, zag het en verraadde ons bij haar vader.

       De volgende dag moest mijn kameraad in het leslokaal naar voren komen, en zijn handen met de palmen naar boven op het bureau van onze onderwijzer leggen. De hele klas wist wat dat betekende.

       Op het moment dat meester Jansen zijn zweepje tevoorschijn haalde begaf Cor’s moed het. Krijsend rende hij de deur uit, naar huis.

       Meester liet hem begaan, wetend dat de moeder van zijn leerling hem in een mum van tijd terug op school zou afleveren.  Een leraar was een soort God in die tijd, net als een huisarts, of de pastoor.

       “Aad…”, zei meneer Jansen, me naar zich toe wenkend. Langzaam stond ik op, schoorvoetend liep ik naar voren.

       Ik ving de spottende blik van Marietje op, haar zelfvoldane lachje. Eens zou ik haar terug pakken, beloofde ik mezelf.

       Zwijgend wees de onderwijzer naar het blad van zijn lessenaar. Ik legde mijn bevende handen er  op en sloot mijn ogen.

       De eerste klap kwam neer met een snijdende pijn. De derde voelde ik al haast niet meer. Daarna drie klappen op de andere hand. Het was voorbij.

       Met tranen in mijn ogen liep ik terug naar mijn tafeltje, toen een jankende Cor binnen kwam, aan een vuurrood oor voortgetrokken door zijn moeder, die zich in verontschuldigingen uitputte tegenover de meester. Daarna maakte ze zich snel uit de voeten, niet bij machte aan te zien hoe de man haar zoon kastijdde.

       Cor snotterde en snikte, maar kwam niet onder de zes zweepslagen uit. Bij elke klap kromp ik in elkaar, voor hem.

       Al mijn klasgenoten waren muisstil. Ze wisten bijna allemaal hoe het voelde, een paar brave Hendrikken daargelaten en Marietje, die natuurlijk nooit slaag kreeg van haar eigen vader. Zij zat te ginnegappen bij Cor’s kreten van pijn.

       Ik zwoer mezelf ook Cor te wreken. Eens.

       Dertig jaar later is die tijd gekomen. De school brandt al als een lier. Nu moet ik nog naar het huis van meester Jansen. En ik weet ook waar Marietje tegenwoordig woont.

 

Gepubliceerd op 040Schrijvers  (internet)

-----

Ruben.

Als ik aan hem denk huiver ik van verlangen. Hij is zo mooi met zijn glanzende blonde haar, zijn blauwe ogen, en zijn volmaakte lichaam.

       We kennen elkaar al jaren, en nooit is de vonk over gesprongen. Tot een maand geleden.      

       Plotseling, uit het niets, begonnen we elkaar te zoenen. Zo maar op kantoor. Het was maar goed dat de deur dicht was.

       Ik kan me niet herinneren wie het initiatief nam, hij of ik, maar het was verrukkelijk, hemels. Ik raakte opgewonden en voelde dat hij het ook werd.

       Zacht maar beslist duwde ik hem van me af. “Dit kan niet", zei ik. "Ik ben getrouwd, en heb verplichtingen. Ik wil mijn kinderen niet kwijt.”

       Hij zei dat ik niet bang hoefde te zijn, dat hij niet van plan was alles wat ik had opgebouwd ten gronde te richten. Hoe hard het hem ook zou vallen mij niet de zijne te mogen noemen, hij zou zich tevreden stellen met een paar gestolen uren zo nu en dan.

       "We hebben de mogelijkheid af en toe samen te zijn", zei hij, teder zijn hand door mijn haar halend. "We zijn collega's, moeten altijd met ons tweeën op pad. Niemand vindt het raar als we buiten de stad zijn, en een hotel voor een nacht boeken. Dat doen we immers al jaren. Alleen zullen we in het vervolg aan één kamer genoeg hebben".

       Ik schudde mijn hoofd. "Nee", wees ik het voorstel resoluut af, "dat zou niet eerlijk zijn."

       Maar ik weet niet hoe lang ik het vol houd standvastig te blijven.

                                                                                   -----

Daar gaan mijn goede voornemens. Hier lig ik, in bed, met die heerlijke man naast me. Ik heb zojuist de beste seks van mijn leven gehad. Ik heb nooit geweten dat het zo kan zijn. Het is volkomen nieuw voor me.
       We hebben elkaar gestreeld, gekust, en verkend. Hoe kan ik, na deze nacht, terug naar mijn partner met wie ik wel seks heb, maar die me nooit zo in vervoering heeft  gebracht als Ruben het de laatste uren gedaan heeft. In mijn huwelijk zijn er nooit de vonken vanaf gespat, en nu weet ik waarom.

       Ik kijk naar Ruben. Hij is mijn bestemming, mijn toekomst, dat weet ik. Ik zal mijn gezin pijn moeten doen om zelf gelukkig te kunnen worden. Volmaakt gelukkig, want in deze man kan ik mezelf verliezen. Ik ben verliefd zoals ik het nog nooit ben geweest. Wat ik voel voor degene met wie ik getrouwd ben, is niet meer dan een innige vriendschap, realiseer ik me. Tot nu toe heb ik me daarmee tevreden gesteld, want ik wist niet beter, maar het zal nooit meer genoeg zijn.

       “Ruben”, fluister ik, “ik wil met jou verder.”

       Hij glimlacht. Hij knikt.

       “Ik ook met jou, Henry”, zegt hij.

 

Gepubliceerd op internet (in een schrijfgroep)

-----

Luizenleven.

“Hé”, dacht de luis, “een schoon hoofd. Daar zal ik eens naar overlopen”. Ze had haar medeparasieten te groeten, en snelde van de ene kruin naar de andere. Toen de twee schoolvriendinnen hun bolletjes van elkaar afwendden, was de insectenovername reeds een feit.

       Vergenoegd wreef de luis zich in de poten. “Heerlijk, zo’n zuiver hoofd. Heel wat anders dan die ongewassen kop van daarnet”. Ze keek om zich heen. Haren genoeg. Daar kon ze mooi haar eitjes aan vast kleven.

       Dat deed ze die nacht. Toen kon ze zich de trotse moeder noemen van acht perfecte neten.

       De volgende ochtend had ma luis een flinke honger, dus zoog ze bloed uit de hoofdhuid van het kleine meisje. Daarbij liet ze wat speeksel achter.

       Zeven dagen later kwamen de eitjes uit. Tien dagen daarna konden ook de jonge luisjes zich gaan voortplanten. Ze vermenigvuldigden zich, zogen bloed op en zeverden. Ze hadden een mooi bestaan op deze hersenpan, daar waren ze het unaniem over eens.

                                                                                       -----

Het kind had jeuk. Ze krabde.

       “Cindy”, deed haar moeder geïrriteerd, “wat zit je toch de hele tijd op je hoofd te krauwen”.

       “Het kriebelt zo”. Het kleine meisje zat letterlijk met haar handen in het haar.

       Moeder kreeg argwaan. “Laat eens zien”. Ze trok Cindy’s lange lokken uiteen en staarde naar haar hoofdhuid. Met afschuw zag ze de kleine, witgele eitjes, en de lege witte hulzen van de neten die reeds uitgekomen waren.

       Moeder werd nijdig. “Je kop krioelt van de luizen!”, riep ze. “Je hebt zeker weer met die Esther gespeeld!”                                 

                                                                                       ----- 

Mama snelde naar de apotheek, en kocht een middel tegen hoofdluis. Eerst waste ze Cindy’s haar met gewone shampoo, en nadat ze dat uitgespoeld had en het haar had afgedroogd, deed ze er rijkelijk van dat spul op. Toen moest het kleine meisje stil blijven zitten zodat het middeltje in kon werken.

       “Tien minuutjes maar”, zei haar moeder. Maar tien minuten was een hele tijd voor een beweeglijk kind als Cindy. Daarna moest het haar nog eens uitgespoeld worden. En Cindy had toch al zo’n hekel aan haren wassen.

       Maar mama was onverbiddelijk. “Had je maar niet met die meid moeten spelen”, zei ze, ruw de netenkam door Cindy’s haar halend.

                                                                                       -----   

 Ze hadden net tegen elkaar gezegd dat ze hier zo’n fantastische tijd hadden. Zo vruchtbaar ook. Dit was een goed hoofd, dat had ma indertijd juist gezien. Ma had geglunderd.

       En nu gingen ze er aan. De hele luizenfamilie lag te creperen. Een voor een zag ma haar kinderen en kleinkinderen het loodje leggen. Ook zij ging het niet redden, dat voelde ze wel.

       “Nou”, dacht ze gelaten, terwijl ze haar laatste adem uitblies, ”Ik had beter op die vlooienkop kunnen blijven”.

                                                                                        -----

 

Gepubliceerd in een schrijfgroep op internet.

-----

Kliekjes.

Jan zat op het muurtje bij de kerk. Gretig zette hij zijn tanden in het sappige vruchtvlees van een appel. Het was lang geleden dat hij een stuk fruit had gegeten. Het zat er niet aan in de oorlog.

       Ook deze had hij niet van moeder gekregen. Hij had hem van de buurvrouw, omdat hij een boodschap voor haar gedaan had. Eigenlijk moest hij hem delen met zijn broer en zusjes. Als hij de appel in zessen sneed hadden ze ieder een stukje, had vrouw Buuts gezegd. “Mondje lekker maken”, zou zijn vader het noemen.

       Jan had de buurvrouw beleefd bedankt, verzekerde haar dat hij zijn broer en zusjes een stukje van de appel zou geven, had de vrucht in de zak van zijn broek gestoken, en was quasi nonchalant van het buurhuis weg geslenterd, een deuntje fluitend, de handen in de zakken. Hij voelde aan de gladde schil van de appel. Hij hield hem zelf, zou hem helemaal alleen oppeuzelen. Hij had er alleen voor gewerkt ook.  

       Op het moment dat Jan zijn eerste hap wilde nemen, kwam daar Henk Heijligers aan gewandeld, zijn aartsvijand. Henk was veertien, vier jaar ouder dan Jan. Hij was er zo een die altijd kinderen treiterde die jonger, en dus ook kleiner en zwakker waren dan hijzelf. Meisjes hadden zijn voorkeur. Maar ook Jantje Adriaans, mager als een lat en klein van stuk, was een van zijn lievelingsslachtoffers. Hij dacht hem wel aan te kunnen.

       Nu was Jan de rust zelve. Niet snel liet hij zich tot ruzie verleiden. Wanneer Henk schold en pestte, haalde Jan zijn schouders op en ging gewoon door met hetgeen waarmeer hij bezig was. Dat irriteerde Henk. Hoe graag zou hij Jantje eens echt te grazen willen nemen, hem vol op zijn bek willen slaan. Maar hij liet het wel uit zijn hoofd, want altijd was die ‘kliek’, zoals hij de broers en zusjes Adriaans noemde, in de buurt. Hij kon er zeker van zijn dat hij de hele horde op zijn nek kreeg als hij hun Jantje pakte.

       Maar zie, hier zat Janneman in zijn eentje op een muurtje. Henk’s handen begonnen te jeuken toen hij het zag. Hij haalde ze al uit de zakken. Hij versnelde zijn pas. Dat manneke zou hem niet ontsnappen.

       Maar Jan had niet de bedoeling weg te lopen. Rustig wachtte hij de komst van de ander af.

       “Zo”, teemde die, terwijl hij vlak voor Jan stil bleef staan, de benen iets gespreid, de armen over elkaar geslagen, “alléén, Jantje?” En toen hij geen antwoord kreeg:”Geef die mooie appel dan maar hier!”

       Jan kneep zo hard in de vrucht, dat de afdruk van zijn vingers er in kwam te staan. Langzaam kleurden de ingedeukte plekjes bruin.

       “Híer die appel!” Henk deed een uitval. Jan trok schielijk zijn arm naar achteren.

De grote jongen stortte zich naar voren, boven op het tengere ventje. Voordat Jan achterover van het muurtje afviel, wist hij met een flinke armzwaai zijn appel in veiligheid te brengen. Het stuk fruit kwam met een doffe plof in de struiken aan de overkant van het zandpad terecht.

       Henk begon Jan met zijn vuisten te bewerken. De jongste had geen schijn van kans tegen de oudere. Maar daar kwam al hulp aangesneld, in de gedaanten van broer Sjors en zus Beb.

       Sjors trok vliegensvlug zijn riem uit zijn broek, en begon er mee op Henk in te slaan. Het kon hem niet schelen waar hij de grotere jongen raakte, als het maar goed zeer deed. En hij had succes, dat verraadde Henk’s geschreeuw wel. De knul wist niet hoe snel hij overeind moest krabbelen. Toen hij stond haalde de twaalfjarige Beb met kracht uit naar zijn oog. Het meidje mepte als een uit de kluiten gewassen kerel. Dat had het vele omgaan met haar oudste broer haar bijgebracht.

       Wankelend rende Henk heen. Onderweg naar huis stond hem nog een kleine verrassing te wachten. De drie jongste zusjes Adriaans, die hun grote broer en zus met hun veel kortere beentjes niet bij hadden kunnen houden, lagen in een hinderlaag, ieder gewapend met een katapult en een flinke kei. Ze legden aan. Twee stenen raakten Henk op zijn schenen, de derde kwam op zijn hoofd terecht. Hij piepte als een jonge hond.

       Gillend van de lach renden de zusjes weg, naar de rest van de ‘kliek’, die juist Jan overeind hielp. Die had wat lelijke blauwe plekken en builen in zijn gezicht, maar zijn ogen straalden en hij grijnsde breed toen hij  het zandpad over stak en met zijn handen wat struiken uit elkaar duwde. Hij bukte, en raapte iets op van de grond. Hij keerde zich naar Sjors en de zusjes. In zijn hand hield hij triomfantelijk de appel.

       “Jan”, vroeg Sjors, met grote ogen, “hoe kom jij daar aan?”

       ”Van vrouw Buuts, bij ons naast”, legde Jan uit, terwijl hij met zijn mouw het zand van de vrucht wreef. “Verdiend met boodschappen doen. Geef mij jouw zakmes eens, Sjors, dan snij ik ‘m in zessen”.

 

Gepubliceerd in e-book (Het leescafé)

-----

K(l)usjesman

“Goedemiddag, mevrouw. Komt het gelegen dat ik  uw geiser kom nakijken?”

       Zeker kwam het gelegen!  Voor me stond de mooiste jongeman die ik ooit gezien had. Blond, gespierd, krachtige armen met fijne donshaartjes. Een gezicht als een engel van Botticelli. Er lag een zelfverzekerde glimlach om zijn mond die me duidelijk maakte dat deze jongen heel goed wist wat voor effect hij doorgaans op vrouwen had. En dat effect had hij ook op mij want hij was totaal mijn type. Mijn hart miste een slag.

       “Ja, hoor”, zei ik met een stem waarvan ik hoopte dat die vast klonk, “kom binnen.” Ik deed een stapje opzij en hield de deur voor hem open. Zijn linkerarm raakte bijna de mijne toen hij langs me af liep. Ik voelde zijn lichaamswarmte. In reaktie daarop gingen de haartjes op mijn hele lijf overeind staan. Ik zat in zijn aura. En hij zat flink in de mijne!

       Met zijn tas in zijn hand bleef hij bij de tussendeur beleefd wachten. Ik boog me voor hem langs en was me heel erg bewust van zijn nabijheid. Toen ik de deur opende moest hij nogmaals langs me af lopen, wat ik geenszins onaangenaam vond. Hij rook lekker. Fris en sensueel. Onopvallend snoof ik het geurtje diep op, sloot zelfs mijn ogen even om het op me in te laten werken. Ik ben dol op lekkere mannengeurtjes.

       De jongen bewoog zich intussen richting geiser. Ik riep mezelf tot de orde en liep de huiskamer in, nam mijn opengeslagen boek dat op een kastje lag en ging op de bank zitten. Maar ik las niet. Mijn blik werd naar de man in de keuken getrokken.

       Die rekte en strekte zich om mijn geiser schoon te maken, en verzuchtte op een gegeven moment:”Tsjonge, wat is het heet.” Met de rug van zijn hand veegde hij over zijn voorhoofd.

       Het was inderdaad moordend. Achtendertig graden in de vroege middag, dat is niet niks voor Nederlandse begrippen.

       Hij keek over zijn schouder. “Vindt u het een probleem als ik mijn shirt uittrek?" Omdat ik wist dat mijn stem schor zou klinken als ik mijn mond opende schudde ik zwijgend mijn hoofd. Nee hoor, geen probleem!

       Hij pakte het kledingstuk achter op zijn rug vast, trok het over zijn hoofd, vouwde het min of meer op en legde het op mijn afvalbak.

       Ik slikte. Zijn gebruinde rug glansde. Er lag een laagje zweet op. Mijn fantasie ging met me op de loop. Ik stelde me voor hoe ik het zoute vocht van zijn huid zou likken, langzaam, weloverwogen. Ik kon het haast proeven.  

       Ik vermaande mezelf. Wat bezielde me? Zulke gedachten had ik anders nooit! Ik was getrouwd met de meest geweldige echtgenoot ter wereld! En deze man, deze jongen nog bijna, ik schatte hem begin twintig, zou niets willen beginnen met een al wat uitzakkende vrouw van vierenveertig, wat ik me dan ook in mijn hoofd haalde! Hij had vast liever iets fris te drinken.

       “Dat zou lekker zijn”, zei hij, toen ik het aanbood. Verbeeldde ik het me, of klonk het echt suggestief? En ging zijn blik werkelijk heel snel van boven tot onder over mijn lichaam?

       Met enigszins bevende handen nam ik een glas uit het keukenkastje dat naast de geiser hing. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe de knul op me neerkeek. Een verleidelijk glimlachje lag om zijn lippen. Op het moment dat ik de cola uit de koelkast nam, bukte hij zich om met de rug naar me toe iets uit zijn gereedschapstas te pakken.

       Bijna liet ik de beslagen tweeliterfles uit mijn handen glibberen. Net boven de rand van de lichtblauwe jeans van de Adonis zag ik het bandje van wat duidelijk een string was. En dat ik dat zag was opzet geweest, dat verraadde de zelfbewuste, wat uitdagende blik in zijn ogen me toen hij zich weer oprichtte en naar me toe keerde. Heel beheerst nam hij me de fles frisdrank uit de hand en zette die op het aanrecht.

       “Iets te drinken zou lekker zijn”, herhaalde hij zacht zijn woorden van zoëven, “maar het zou nog lekkerder zijn om jou te mogen proeven.” Hij leek er dezelfde gedachtegang op na te houden als ik.

       De trek op mijn gezicht moet aanmoedigend geweest zijn. Aanmoedigend genoeg voor hem om zich naar me toe te buigen en te kussen. Het was een heerlijke kus, vol aandacht en toch passioneel.  

Het was lang geleden dat ik op die manier gekust was. Koen en ik waren niet meer zo passievol na tweeëntwintig jaar huwelijk.

       Tweeëntwintig jaar… Ongeveer zo oud was deze jongeman. Ik was slecht. Maar ik liet me toch meevoeren op de golf van zijn hartstocht.

       Na de kus trok hij zich lang genoeg van me terug om zich van zijn instappers en spijkerbroek te ontdoen. Nu zag ik de string waarvan ik het randje al had mogen aanschouwen in zijn geheel. Nou, het was meer een stringetje. Minuscuul en hagelwit. Mijn klusjesman zag me er naar staren en langzaam stroopte hij het van zijn lichaam.

       In al zijn glorie stond hij voor me, goedgebouwd en poedeltje naakt. Ik schopte mijn slippers uit, schoof mijn korte broek en slipje over mijn heupen omlaag en stapte eruit. Hij sloeg zijn armen om me heen en duwde me naar beneden, naar de grond. Daar, op de keukenvloer die ik die dag nog niet gestofzuigd had, werd hij de mijne en ik dacht geen moment aan mijn echtgenoot die ik bedroog.

       Het was een fantastisch ervaring, die vrijpartij met een jongen die nog maar net volwassen was. Hoewel het bijna een zonde was had ik het voor geen goud willen missen.

       “Wauw”, zei hij na afloop, “dat was fantastisch. Maar ik moet helaas gaan, anders krijg ik problemen met de baas." Hij drukte een vlinderlicht kusje op mijn neus. “Ik wou dat ik kon blijven.”

       Dat wilde ik ook.

       Hij kleedde zich gehaast aan, string, jeans, bezweet shirt. Nog een snelle kus. Een aarzeling, dan: “Doe je dit met elke man die een klusje komt klaren?”

       Ik schudde mijn hoofd. “Doe jij dit met elke vrouw bij wie je een geiser schoon moet maken?”

       Hij glimlachte zijn onweerstaanbare lach. “Eerlijk gezegd ben je de eerste, ik heb nooit eerder de drang gevoeld dit te doen. En je blijft de enige, ik kan hier geen gewoonte van maken, gesteld dat ik dat zou willen, het zou me binnen de kortste keren mijn baan kosten… Mag ik je vragen waarom ik een uitzondering ben?”

       “Om de eenvoudige reden dat ik je niet kon weerstaan. Je bent honderd procent mijn type. En jij? Waarom maakte jij een uitzondering voor mij?”

       Hij haalde licht zijn schouders op. “Zodra je de deur voor me opende voelde ik chemie tussen ons… Pure aantrekkingskracht… Ik wilde je en wist dat jij mij ook wilde. En het was geweldig.” Hij nam mijn handen in de zijne, bracht ze naar zijn mond en kuste ze. “Jíj bent geweldig.”

        Met een glimlach om zijn lippen, een glimlachje dat wat weemoedig aandeed, keek hij naar mijn vinger en draaide mijn trouwring rond. ”Ik weet dat ik niet terug moet komen… Maar ik zal je nooit vergeten.”

       Een paar seconden keek hij zwijgend op me neer. Met de rug van zijn hand streek hij heel zacht over mijn gezicht. Toen haalde hij diep adem, draaide zich om en verdween uit mijn leven.

       Ik heb hem nooit meer gezien, maar nog altijd als onverwacht de bel gaat denk ik aan hem en aan dat wat ik met hem heb mogen ervaren. En elke keer hoop ik tegen beter weten in dat hij het zal zijn die voor de deur staat.

 

Gepubliceerd in een schrijfgroep op internet.

-----

Hoera, een jongen!

“Het is een jongen!”, riep mijn vader uit toen ik geboren werd.

Mijn moeder heeft het me wel honderd keer in geuren en kleuren verteld. “Een zoon voor papa, wat was hij blij!”

Maar toen ik op de prille leeftijd van vier jaar begon te beweren dat ik liever een meisje geweest was, toonde hij zich geïrriteerd. En toen ik met poppen speelde in plaats van te gaan voetballen rukte hij het speelgoed uit mijn handen en smeet het door de kamer. “Poppen zijn voor je zuster!”, riep hij. “Speel jij maar met auto’s!”

Maar ik vond auto’s niet interessant, net zo min als treinen en racebanen. Ik vond het veel leuker met die nepbaby’s te knuffelen, ze een flesje te geven, een schone luier om te doen, kortom met ze te tutten. En mijn oudere zus was verrukt dat ze iemand had om ‘vadertje en moedertje’ mee te spelen.  Maar dat ik altijd perse de moeder wilde zijn, dat vond ze niet eerlijk.

“Laat hem toch”, zei mama tegen papa. “Hij wordt later vast een geweldige vader. Dat is fijn voor zijn vrouw.”

Papa gromde. Hij bleef altijd zijn best doen een ‘echte vent’ van me te maken, me voor jongensdingen te interesseren, maar het lukte hem nooit.

Mijn moeder had beduidend minder moeite met mijn ‘meidenstreken’. Ik was dol op alles wat roze was, en als ik in de winkel een kledingstuk van die kleur uitkoos kocht ze die grif voor me.

“Je hebt je eigen mening”, zei ze, “je maakt je eigen keus. Als jij roze mooi vind en het wilt dragen dan moet je dat zelf weten. Maar houd er rekening mee dat andere kinderen het raar zullen vinden. Roze wordt beschouwd als een meisjeskleur.”

De kinderen op school lachten me inderdaad uit als ik in mijn roze truitje de klas binnen kwam. Ik werd uitgescholden voor ‘homo’of ‘mietje’.

“Niks van aantrekken”, raadde mijn zus me aan. En dat deed ik ook niet.

Toen mijn moeder me op zesjarige leeftijd op de badkamer aantrof met mijn broek op mijn knieën en een mes in mijn hand, schrok ze zich wild. Op haar vraag wat ik aan het doen was antwoordde ik dat ik een meisje wilde zijn en dat daarom mijn plassertje eraf moest.

Mama viel zowat flauw. Ze trok het mes uit mijn hand en informeerde of ik helemaal gek geworden was. “Je kunt niet zo maar je piemel er af snijden!”, riep ze uit. “Dan bloed je dood!”

Daar had ik niet bij stil gestaan. Ik wilde gewoon geen jongen zijn.

“Het is uit met dat idiote gedrag!”, baste mijn vader ’s avonds aan tafel, toen mijn nog lijkwitte moeder hem het verhaal uit de doeken deed. “Van nu af aan gedragen alleen de meisjes hier in huis zich als meisjes! De jongens gedragen zich als kerels! Na het eten gaan we een potje voetballen, Max!”

Ik durfde niet tegen te stribbelen.

Pa nam me mee naar een grasveld in de buurt en probeerde me de regels van het edele spel bij te brengen, maar ik zag er de lol niet van in. Ontmoedigt door mijn gebrek aan enthousiasme en talent gaf mijn vader er al gauw de brui aan.

De week erop kocht hij een tafelvoetbalspel voor me, maar zelfs daar liep ik niet warm voor. Mijn zus speelde er vaker mee dan ik.

In de loop der jaren trok papa alles uit de kast. Met carnaval stak hij me in een cowboypak terwijl ik om een prinsessenjurk gevraagd had, en hij schreef me in voor boksen waar ik om balletlessen zeurde.

“Balletles?!” Hij gaf zowat over. “Ik breek nog liever allebei je benen dan dat ik je daar naartoe laat gaan!”

Mijn zusje zat wel op ballet, en ik was stikjaloers op haar. Ze had medelijden met me, en in de beslotenheid van haar kamer leerde ze me stiekem de basisoefeningen. Langs een muur had papa voor haar een barre aangebracht, en daar hielden we ons aan vast terwijl we hoog onze benen de lucht in gooiden.

“Gô”, zei Donna met ontzag in haar stem, “jij beweegt je eleganter dan ik.”

Ik was overgelukkig met die woorden.

Voor mijn verjaardag vroeg ik een kitten. Ik kreeg een Dobberman. Ik was heus wel gek met het beest, maar papa vond dat ik te veel met hem kroelde.

“Ga stokken voor hem gooien in het park”, zei hij.

Van mama mocht ik mijn haar wat langer laten groeien, maar papa greep me in mijn kraag en sleurde me mee naar de kapper.

“Zo kort mogelijk”, zei hij tegen de man die duidelijk homoseksueel was. “Doe maar stekeltjes.” 

Toen de barbier klaar was kon ik wel janken. Ik zag er niet uit! Ik leek wel een jongen!

“Maar”, kwam mama voorzichtig toen ik dat tegen haar zei, “je bént toch ook een jongen, Max! Daar moet je je nu toch eens bij neer gaan leggen, je bent al tien! Ieder jongetje wil als hij klein is weleens een meisje zijn, en ieder meisje zou wel eens willen weten hoe het is om een jongen te zijn, dat is heel normaal, maar dat ontgroei je op een gegeven moment.”

“Ik niet”, zei ik stellig. “Ik wil een meisje zijn, altijd. Trouwens, ik bén een meisje.”

“Wat bedoel je daar nou weer mee?”, informeerde papa kortaf.

“Nou, ik ben een meisje… híér.” Met een vinger tikte ik op mijn rechterslaap. “Ik voel me een meisje.”

“Hij bedoelt dat hij een transseksueel is”, kwam mijn dertienjarige zus me te hulp. “Hij heeft de geest van een meisje, maar het lichaam van een jongen, oftewel hij zit in het verkeerde lichaam.”

“Ja, nou weten we het wel”, snauwde papa haar af. “In het verkeerde lichaam zitten, wat een onzin. Je bent wat je bent, en jij bent als jongen geboren, jóngen.”

Het sarkasme van mijn vader deed pijn. Maar ik nam het hem niet kwalijk. Hij begreep het gewoon niet.

Mijn moeder toonde meer begrip. “Als dat zo is”, zei ze met een zucht, “dan heb je hulp nodig, Max.”

Ik dacht dat ze over psychiaters en zo zou beginnen, maar ze vervolgde:”Als jij van binnen een meisje bent, dan moeten we zorgen dat je dat in de toekomst van buiten ook wordt.”

Mijn vader deed zijn mond open om te protesteren, maar de vurige blik van mijn moeder maakte dat hij hem snel weer sloot. Als ze voor een van haar kinderen opkwam was mama net een leeuwin die vecht voor haar jong.

                                                                                            -----

Ik ben opnieuw geboren. Als meisje. Maxime heet ik nu. Ik ben overgelukkig met mijn nieuwe lichaam. En wat ben ik blij met mijn begripvolle moeder en een zus die mijn beste vriendin is. Ze hebben de transformatie zo gemakkelijk aanvaard, zo vanzelfsprekend.

Ik heb nu borsten en lang haar. Ik draag korte rokjes en diep uitgesneden truitjes. Ik ben dol op make-up en sierraden.

Donna is mijn leermeester. Ze doet me voor hoe ik oogschaduw op moet brengen en stift mijn lippen op een manier die mijn mond voller doet lijken. We gaan samen shoppen en keuren elkaars kleding. Als ik een pashokje uitloop om mijn zus te laten zien hoe een creatie me staat voel ik me op en top vrouw.

Donna en ik gaan samen uit, en flirten met de mannen. Als we thuis komen vertelt zij steevast trots tegen mijn moeder dat ‘haar zus’ meer aandacht van de mannen trekt dan zij. Mijn vader braakt dan in zijn zakdoek.  

Ach, hij moet er nog aan wennen dat hij nu twee dochters heeft in plaats van een dochter en een zoon. Maar het is alleen het uiterlijk dat veranderd is. In wezen was ik altijd al een meisje.

 

Gepubliceerd op Ikvertel (internet)

-----

Het theelepeltje.

Het theelepeltje blonk. Dat kwam omdat de eigenaresse ervan het elke keer dat ze het gebruikt had zorgvuldig oppoetste.

       Het theelepeltje was een bijzonder lepeltje. Niet dat het duur was, het was weliswaar verzilverd en het had aan het einde van het steeltje, daar waar het breder werd, een prachtig prentje van een berg in de sneeuw, maar het had nog een andere waarde. ‘Emotionele waarde’, noemde zijn eigenaresse het. Er lag altijd een droevige klank in haar stem als ze het zei.

       Het lepeltje was zo speciaal voor haar omdat ze het van haar zoon had gekregen. Hij was bergbeklimmer, en op zijn laatste verre reis had hij het voor haar gekocht. Het was het laatste cadeautje dat hij ooit voor zijn moeder zou meebrengen, want hij kocht het een dag voordat hij in dat vreemde land op een bergrichel stond die afbrak. Een paar uur voordat hij omkwam bij dat noodlottig ongeluk.

       Toen ze na de begrafenis de koffer uitpakte die de luchtvaartmaatschappij naar huis had gestuurd, had ze het souvenir gevonden. Het zat opgeborgen tussen Mark's kleding, zodat het tijdens de reis naar huis niet zou beschadigen. Het lepeltje zat weliswaar in een doosje, maar dat was van hard plastic met een doorzichtig dekseltje, en ze kende de gedachtegang van haar enige kind. Mark was bang geweest dat het lepeltje heen en weer geschud zou worden in het vliegtuig, en dat er krasjes op zouden komen.  

       Meteen toen ze het doosje zag, had ze geweten dat het theelepeltje voor haar bedoeld was.

Nu roerde ze elk kopje koffie dat ze dronk, elke kop thee, met dat lepeltje. Ze roerde en draaide het  rond, en dacht dan aan haar gestorven kind, de jongen die ze met zoveel pijn op de wereld gezet had, die ze met zoveel liefde had groot gebracht. Haar zoon die ze had aanbeden, en die zo ruw van haar en het leven was weggerukt.

       Als het kopje leeg was werd het lepeltje voorzichtig afgewassen en opgepoetst, tot de eigenaresse ervan ondersteboven in het zilveren oppervlak werd weerspiegeld. Dan werd het doosje uit de kast gepakt, en vlijde de vrouw het roerstaafje op het donkerblauwe fluweel.  

       Een paar seconden nog bleef ze staren naar de besneeuwde berg, de berg die haar enige kind de dood ingejaagd had. Ze zou die berg moeten haten, maar dat kon ze niet omdat haar zoon er van had gehouden.  

       Niemand anders dan de eigenaresse zelf mocht het lepeltje gebruiken. Als haar man alleen maar het doosje uit de kast pakte en met afgrijzen in zijn ogen naar het plaatje van de berg keek, werd zijn vrouw al woedend.

       ‘Blijf af, Jan! Zo meteen laat je het nog vallen! Je weet hoe zuinig ik op dat lepeltje ben!’

       Ja, ze was zuinig op het lepeltje, net zo zuinig als ze op haar zoon geweest was. Hij was er niet meer, maar het theelepeltje zou ze de rest van haar leven koesteren.  

 

Gepubliceerd in een schrijfgroep op internet.

-----

Het nieuwe broertje.

Vervuld van wrok en verdriet zat de vijfjarige Alan op de rand van zijn bed. Het was helemaal niet leuk om een babybroertje te hebben.

       Hij had zich er heel wat van voorgesteld. Hij, de grote broer, die het jongere kind zou beschermen, het kleintje dat naar hem op zou kijken. De werkelijkheid was anders. Heel anders.

       Het viel hem bijvoorbeeld erg tegen dat hij niet met Brandon kon spelen. Praten lukte ook niet. Als je iets tegen hem zei kreeg je geen antwoord.

       Verder lieten papa en mama hem, Alan, die toch al zo groot was, nauwelijks in de buurt van de baby komen, bevreesd als ze waren dat het kleintje iets zou overkomen. Ze waren bang dat Alan hem zou laten vallen, hij was te luidruchtig zodat de kleine vast wakker zou schrikken, enzovoort, enzovoort.

       Hij had niets aan zijn broertje. Hij had alleen maar last van hem. Alles in huis draaide om dat  huilende, poepende wezen.

       De hele dag waren zowel mama als papa met de zuigeling in de weer. Een flesje geven (‘Nee, dat kun jij niet, Alan, dan slikt hij vast lucht in’), daarna de baby tegen hun schouder leggen om een boertje te laten doen (als Alan boerde kreeg hij steevast straf), een luier verschonen, in bad doen, een wandelingetje met de kinderwagen maken, want Brandon had frisse lucht nodig. Om nog maar niet te spreken over bezoekjes aan het consultatiebureau, waar Alan nooit mee naar toe mocht. ('Nee, jongen, dat kan niet, dan moet ik jóú ook nog in de gaten houden. Blijf jij maar bij papa.')

       Alles draaide om Brandon. Hij, die er toch als eerste was, telde niet meer mee.

       Was dat kind maar nooit geboren, dan had hij zijn ouders nog voor zichzelf, hielden zij nog net zo veel van hem als voor dat schepsel ter wereld was gekomen.

       Hij herinnerde zich liefdevolle omhelzingen en kusjes, mama die hem zijn prentenboeken voorlas, en papa die een verhaaltje vertelde voor het slapen gaan. Hij had zich de eerste vijf jaar van zijn leven veilig en bemind geweten.     

       Nu gaven ze alleen nog om hém, die schreeuwlelijk. Voor Alan hadden ze geen aandacht. Hij dacht dat zijn vader en moeder hem tegenwoordig liever kwijt waren dan rijk. Net zoals híj zijn broertje liever kwijt was.

       Die gedachte bracht hem op een idee. Hij moest van die lastpost af zien te komen, dan werd alles weer als vanouds. Dan hielden papa en mama weer van hém. 

       Hij stond op van zijn bed en sloop naar de slaapkamer van zijn broertje. Brandon was in diepe rust.

       Heel voorzichtig nam Alan het bundeltje uit de wieg. De baby bewoog even, maar sliep door.

       Alan liep langs de logeerkamer, waar zijn moeder, met haar rug naar hem toe, stond te strijken. Ze hoorde of zag hem niet.

       Voetje voor voetje ging de jongen met zijn broertje in zijn armen de trap af. Toen hij in de hal langs het toilet kwam, zag hij dat de deur het woord ‘bezet’ vertoonde. Alan kon nog niet lezen, maar hij wist dat rode letters betekenden dat er iemand op de w.c. zat. Mooi, zijn vader kon hem dus ook niet zien.

       In de woonkamer werkte hij zich met moeite op sofa. Daarna klom hij op de vensterbank. Het viel nog niet mee, zo met een slapende baby in zijn armen. Hij schikte Brandon in zijn ene arm, en reikte zo ver met zijn andere arm omhoog dat hij net bij de klink van het raam kon. Hij opende het. Toen hij naar beneden keek duizelde het hem even. Het was toch best hoog, de achtste verdieping.

       Het vroor buiten veertien graden, en door de grote afkoeling schrok Brandon wakker. Hij sloeg met zijn handjes, en zette het op een brullen.

       Alan schrok ervan. Papa en mama zouden door dat gekrijs vast gealarmeerd worden, dacht hij paniekerig. Het was zaak snel van Brandon af te komen.

       Voordat hij zich van zijn last kon bevrijden greep iemand Alan de baby af, en werd hij zelf van het raam weggerukt.

       Met een doodsbleek gezicht liet mama zich met Brandon op de bank vallen. Papa trok Alan naar zich toe, en klemde hem tegen zich aan alsof hij hem nooit meer los wilde laten. 'Wat dacht je dat je aan het doen was?', informeerde hij geschrokken.

       De jongen was slim voor zijn vijf jaar. Hij besefte dat zijn plannetje mislukt was, maar dat hij dat niet moest zeggen. Zijn hersens werkten razendsnel. 

       'Jullie zeggen altijd dat een kind veel frisse lucht nodig heeft', redde hij zich er uit. 

       Voor het eerst in zijn leven hoorde Alan zijn vader hartgrondig vloeken. Mama begon uit te leggen dat met een baby uit het raam leunen niet was wat bedoeld werd met ‘frisse lucht is goed voor een zuigeling’.

       'O', zei Alan, zijn ogen groot en onschuldig op haar gezicht gevestigd. 'Mag ik nu met mijn trein gaan spelen?'

       Met een gebaar van haar hand stemde zijn moeder met die woorden in. Alan vertrok naar zijn kamer, teleurgesteld over het falen van zijn poging tot moord, maar opgelucht dat hij zich eruit had weten te kletsen toen hij betrapt was.

       Toen hij halverwege de trap was hoorde hij de stem van mama.

       'Hij beseft niet hoe gevaarlijk hij aan het doen was, Harold.'

       'Stel je voor, Sofie' antwoordde papa, 'we hadden ze allebei kunnen verliezen. Alle twee in één klap.'

       'Ik zou het niet aangekund hebben’, zei mama, en Alan hoorde de tranen in haar stem. ‘Ook al heb ik het nog zo druk, ben ik de hele dag aan het rennen en draven om alles klaar te krijgen, ik zou ze niet kwijt willen. Ik houd zo veel van ze.'

       'Ja', zei papa, 'die twee kinderen, dat is ons leven.'

       Op de trap glimlachte Alan. Ze hielden dus toch van hem. Van Brandon, én van hem.

 

Gepubliceerd in een schrijfgroep op internet.

-----

Hoort wie klopt daar kinderen.

Manus van zeventien was tien jaar ouder dan zijn broertje Janus. Omdat Sint en Piet het die vijfde december uitzonderlijk druk zouden krijgen, hadden zij Manus gevraagd een gedeelte van Piet’s  werk die dag over te nemen.

       Wat hij dan doen moest, vroeg Manus. Nou, instrueerde de Goedheiligman, Manus hoefde op pakjesavond alleen maar met een smoesje de voordeur uit te lopen, achter de plaats op te sluipen,  op het raam van zijn eigen huis te bonken, en met een diepe basstem te informeren of er nog stoute kindertjes waren. Zwarte handschoenen aan de vingers, een takkenbosje in de hand waarmee  dreigend om de hoek van de deur gezwaaid moest worden, en flink wat snoepgoed strooien. Dan, terwijl Januske nog stikte van de schrik, vlug achter de poort uitlopen, via de voordeur weer naar binnen, en het kleine broertje blij maken met de boodschap dat de hele gang vol stond met presentjes, die Manus daar op voorhand ook even moest deponeren. Of hij dacht dat te kunnen. Manus dacht van wel.

       De handschoenen werden opgeduikeld, de takjes geraapt, de zak strooigoed gekocht.

       Op vijf december om zeven uur ’s avonds vroeg Manus zich hardop af of de voordeur wel goed afgesloten was. Voor de zekerheid maar even gaan kijken, vond hij bezorgd. Of misschien wilde Janus het doen?

       Nee, Janus niet. Hij kroop op mama’s schoot.

Manus was nog maar net weg, het ‘heerlijk avondje is gekomen’ was juist ingezet, toen achter op de plaats een zware stem klonk. ”Zijn hier nog stoute kinderen?”

       “Nee!”, riepen papa en mama om het hardst. Januske kreeg geen woord zijn strot uit.

       Een grote, zwarte hand stak een roe om de hoek van de achterdeur. Een complete zak strooigoed kwam met de plastic zak er nog omheen de kamer ingezeild. En hoort… Daar werd niet op het raam geklopt, maar geramd. Manus had dat ‘bonken’ van de Sint letterlijk opgevat.

       Rinkelend viel de ruit in tientallen scherven uiteen. Kleine Janus verschoot van kleur. Papa en mama ook.

       Een minuut of wat was het stil. Toen stond papa met een verbeten gezicht op van zijn stoel, en liep naar het gat waar eens het raam gezeten had. Nijdig keek hij links en rechts het donker in. “Pieten van niks”, mopperde hij.

       Met een zorgelijk snoetje staarde Janus een tijdje zwijgend naar het gebroken glas. Toen blikte hij naar moeder op, en vroeg met een benepen stemmetje: ”Zou die zwarte Piet nou in het gangetje dood liggen te bloeden?” 

       Waarom papa mompelde: “dat is die Pieterman geraden”, begreep Januske pas jaren later.

 

Gepubliceerd in een schrijfgroep op internet.

-----

Sinterklaas bestaat niet?

(Waar gebeurd verhaal. De namen van de betrokkenen zijn veranderd)

Zeventien was ik en ik ging voor het eerst, samen met mijn beste vriendin, op vakantie. We  kozen voor Oostenrijk, omdat dat land Duitstalig is en we die taal in ieder geval machtig waren. Per trein reisden we naar de plaats van bestemming, Fieberbrunn. Daar werden we ondergebracht in een mooi, geheel uit donker hout opgetrokken hotelletje. De kamers waren kraakhelder, het eten verrukkelijk. Daar kwam nog bij dat onder in het hotel een warme bakker gevestigd was, die de meest heerlijke gebakjes, chocoladerepen en andere lekkernijen verkocht. Zodra we ‘s ochtends wakker werden, drong de geur van vers gebakken brood en gebak ons in de neusgaten en, echte snoepers als we waren, besteedden we een niet onaanzienlijk deel van ons vakantiegeld aan zoetigheden. Languit op onze bedden gelegen, lazen we tientallen pockets, ook in het hotel verkrijgbaar, en aten we kilo’s koek en snoep. De maaltijden gebruikten we drie maal daags samen met de andere hotelgasten. Iedereen had een vaste plaats, en die van ons was tegenover het stel dat de kamer naast die van ons betrok. Het waren een jonge man en vrouw, die totaal in elkaar opgingen, en zich bijna niet met de andere vakantiegangers bemoeiden. Het was ons al van het begin af aan opgevallen dat die twee constant aan elkaar zaten te plukken. Zij legde onder het eten voortdurend haar blonde hoofd tegen zijn schouder, en hij keek smachtend op haar neer, wat José haar ogen ten hemel deed slaan. En toen we ontdekten dat de man wel een trouwring droeg en de vrouw niet, begonnen we wild te speculeren. De conclusie was snel getrokken. Daarom trok A. de Man, zoals de reisleidster haar noemde, zo’n martelaarsgezicht, O. de Wijs was niet echt van háár. We fluisterden er over. We vonden het een raar koppel.

Elke avond als wij de balkondeur dicht deden om te gaan slapen, zagen we op het balkon rechts van het onze twee paar schoenen buiten staan. Een paar heren van O., en een paar dames van A., wat José de opmerking ontlokte dat 'die twee wel stinkpoten moesten hebben dat die schoenen elke nacht moesten luchten'. 

Op een avond besloten we het vreemde paar voor de gek te houden. Stilletjes slopen we in het donker over het balkon, de voorraadtassen met lekkers in de hand. We giechelden gesmoord terwijl we ieder een paar schoenen vol stopten met zuurtjes, kauwgomballen, chocoladerepen en gevulde koeken.

In bed lachten we nog na. Hoe zouden de tortelduifjes reageren op onze grap? “Volgens mij zien ze er de humor niet van in”, voorspelde José. Dat bleek nog flink mee te vallen.

Toen we de ochtend daarop in de eetzaal kwamen, werden we van alle kanten lachend toegeroepen. “Hebben jullie vannacht voor Zwarte Piet gespeeld?!” En op onze bevestiging:”Wat hebben jullie in die schoenen gelegd?” “Kuukskes en snuupkes”, zeiden wij op zijn Brabants.

De rest van de vakantie werden we zo genoemd. “Daar heb je ‘kuukske’en ‘snuupke’”, lachten de vakantiegangers als ze ons ontwaarden. En O. de Wijs en A. de Man waren sindsdien toeschietelijker dan ooit.

 

Gepubliceerd op internet (in een schrijfgroep)

-----